Poolvos

Poolvossen (Alopex lagopus) op IJsland leven in een groot deel van IJsland. Omdat buiten de kuststreken de sneeuwhoender hun belangrijkste prooi is volgen zij deze vogels. Langs de kust jagen zij vooral op andere vogels als eiders en papegaaiduikers (of wat anders ze maar te pakken kunnen krijgen). Een bijzonder poolvossen gebied is de noord-westpunt van IJsland. Daar ligt het natuurgebied rond Hornstrandir. Hier zijn alle vaste menselijke nederzettingen opgeheven en is jaen op poollvossen verboden. Als gevolg van dat verbod zijn ze veel minder schuw naar mensen toe als elders. Helaas wordt er nog wel eens illegaal op de vossen gescoten. De reden is dat ze daar makkelijk te schieten zijn vanwege hun relatieve tamheid en boeren die opdracht aan jagers geven om vossen op hun gebied te schieten (niet in het park dus) afbetalen op geleverde staarten. Waar die vandaan komen wordt dan niet gechecked. Door de langdurige jacht op deze dieren in de meeste gebieden zijn poolvossen zelden te zien.

Poolvossen vormen vaste paartjes voor vele jaren. Een vrouwtje werpt zo'n 5 tot 10 welpjes in het voorjaar. Het mannetje speelt ook een belangrijke rol in grootbrengen van de jongen. In vergelijking met de rode vos (de gewone vos) hebben zij vacht onder de poten wat een duidelijke aanpassing aan de koude is. Ook hebben zij kleinere oortjes om warmteverlies tegen te gaan.

Ondertussen kan ik een paar foto's laten zien van poolvossen die ik in 2001 genomen heb in Hornvik:

Arctic Fox

Aanverwante sites zijn:
University of Michigan page on arctic foxes by Candice Middlebrook
International Union for the Conservation of Nature (IUCN) page on Arctic Foxes

Ik zou nog een Engeltalige quote uit de IUCN pagina's over poolvossen ten aanzien van de populatiebiologie:
Iceland: Hersteinsson (1987a) summarizes the status of arctic fox in Iceland. Because of their suspected preference for eating lambs and sheep, legislation in Iceland has encouraged persecution of Alopex since 1295. Population levels have fluctuated since 1855 with possible causes of decline being distemper, strychnine poisoning, or changes in climate and perhaps prey availability (Hersteinsson 1987b). Recent evidence suggests that the protozoan parasite, Encephalitozoon cuniculi, may regulate population numbers (Hersteinsson pers. comm.). Where the parasite is common (40% infected), population levels remain low or decline; where the parasite is nearly absent (2% infected), population levels increase. From 1958 to 1981, population levels declined near towns and in densely populated rural areas. The species was hunted by various methods, many of which were aided by the use of snowmobiles. State-subsidized hunting encouraged continued persecution: despite an increase in hunting effort, offtake dropped from 1,590 individuals in 1958 to 456 individuals in 1978. The entire population was estimated at 700 to 800 in 1982. By 1985, the population appeared to have increased to 1,780 ± 70 individuals.